WERKEN IN EEN CASINO

Ik ga, het is gelukt en ik ga! Heel graag wil ik voor mijn boek met mijn verhaal dat ik aan het schrijven ben eens werken in een casino. Nu ik al acht jaar niet meer gok en dus niet meer als verslaafde speler in casino’s kom, ga ik er toch heen. Niet om er te spelen, maar om er te werken en vooral, vooral om er te kijken.
Als speler ken ik het al. Als geen ander weet ik nog hoe het er is, om er de tijd te vergeten, veel te veel te verspelen en bovenal hoe het werkt om er ‘mijn hoofd uit’ te kunnen zetten. De stress tegen sluitingstijd, als er omgeroepen werd dat er nog maar een kwartier kon worden gespeeld en ik nog lang niet alles ‘terug’ gewonnen had. De stress van het verloren geld, de weggegleden uren, de gemiste telefoontjes en het met de minuut groeiende schuldgevoel. De stress van het reserveren van ‘mijn’ kast voor de volgende dag en de stress te weten dat je eigenlijk er niet kon zijn de volgende dag om elf uur ’s ochtends, omdat ik dan moest werken. Toch al wetend dan dat ik wél zou gaan en de smoes voor mijn werk al bedenkend in mijn hoofd. Die stress en die kennis van het casino heb ik al lang. Die kennis zit in mijn hoofd, in mijn huid en in mijn binnenste. Daarvoor hoef ik er godzijdank nooit meer naar toe.

De laatste drie jaar heb ik mijn gokverslaafde, zieke verhaal mogen vertellen bij kansspeltrainingen.

Aangeboden door Novadic-Kentron, afgenomen door Fair-Play Centers. Mijn rol is om daar de medewerkers te prikkelen, om te zorgen dat hun nekharen overeind gaan staan. Te zorgen dat ze even stilstaan bij hun vak, om te zorgen dat ze weer even weten dat ze een bepaald risicovol product aan de man brengen. Ook om te zorgen dat zij beseffen dat ze, elke dag opnieuw, verslaafde mensen tegenkomen. Om te zorgen ook dat zij nooit vergeten dat er achter elke verslaafde geest een ‘mens’ zit. Een mens die door wat voor omstandigheden dan ook, verslaafd geraakt is aan gokken. Zomaar een mens, zomaar iemand. Bij wijze van spreken je broer, je moeder of je collega. Aan de buitenkant zie je dat niet, ja misschien wel aan hun gedrag. Dat is kennis die de medewerkers van casino’s opdoen bij kansspeltrainingen.

Tegelijkertijd leren zij ook, dat zij géén hulpverlener zijn.

Nu wil ik weten hoe dat is, om mensen te zien gokken. Zonder dat ik afgeleid word door het gokken zelf. Dat wil ik en dan het liefst als medewerker. Dan zie ik het echt. Lang niet alle medewerkers zijn ‘blij’ met hun baan, weet ik. Zeker niet het stukje ‘omgaan met verslaafde mensen.’ Dat stukje doet pijn en sommige medewerkers sluiten er –na een aantal jaren- hun ogen voor. Zo logisch vind ik dat, immers alle ‘ellende’ went. Iemand die op de Eerste Hulp van een ziekenhuis werkt schrikt ook niet meer van een open beenbreuk na een aantal jaren. Dat is namelijk jouw werk geworden. Daarom wil ik voelen en proeven hoe het is.
Peter Vreuls brengt me op zondagavond in Kerkrade naar het appartement van Fair-Play, gelegen boven één van hun casino’s. We spreken af dat ik me maandagochtend om tien uur meld bij de Fair-Play vestiging in het Roda JC stadion. Als ik de volgende ochtend aan kom lopen aarzel ik buiten nog even, kijkend naar het casino met z’n aanlokkelijke verlichting. Zal ik het wel doen? Ik loop naar binnen en tref de eerste medewerker. Ik herken haar, van een eerdere kansspeltraining. Snel leg ik m’n situatie uit en zij brengt me naar de locatiemanager. Onderweg naar hem, raken de eerste geluiden me. Herkenning. Veel geluiden van gokkasten zijn in acht jaar niet veranderd, merk ik. Als krachtige violen en trompetten komen ze mijn hoofd binnen.

‘Kom en speel met mij’, zingen ze.

We spreken af dat ik ‘gewoon’ mag kijken en ‘gewoon’ mag meewerken. Ook dat ik in deze stage geen ‘voldoende’ hoef te halen. Dat ik me vrij mag bewegen en als belangrijkste: dat ik weg mag als ik het op wat voor manier ook niet zou ‘trekken’ of ‘aankunnen.’ Het maakt dat ik me veilig voel.
Ik krijg een rondleiding door het pand met zijn drie verdiepingen. Het gokaanbod loopt van licht naar zwaar hoe hoger je in het casino komt. ‘Daar is zelfs over nagedacht’ denk ik en tegelijkertijd bedenk ik of deze constatering me stoort of niet. Ik voel er geen reactie bij en kan afstand houden. Het lukt goed om ‘neutraal’ te blijven kijken en luisteren. Aan de andere kant voel ik de spanning, vooral gevoed door de pijn doende geluiden. Even later ‘begin’ ik. Ik schenk voor het eerst een cola voor een ‘gast‘ in. Even later ruim ik een vaatwasser uit en spoel wat glazen om. Ik klets wat met een collega en merk dat iedereen benieuwd is wat ik er als oud-speler van vindt. Weer wat later ontvang ik gasten bij de deur en deel toegangsbewijzen uit. Zo op maandagochtend is het nog vroeg, heel druk is het nog niet. Met de collega bij de deur heb ik een fijn gesprek. Nota bene vertelt zij me dat ze met haar vrouw in Las Vegas is geweest. ‘Gaaf’ zeg ik, ‘ik ben er met mijn gezin ook geweest, na het stoppen met gokken en het uitkomen van m’n verslaving.’ Dan vertelt ze dat zij er was tijdens de aanslag door een schutter vanuit een hotelkamer. Ze vertelt dat ze eerst dacht dat ze een helikopter over hoorde vliegen, maar dat dit geluid voortkwam uit het machinegeweer van de dader. Wat een onvoorstelbare ervaring en wat fijn dat ze dit ‘zomaar’ met me deelt, terwijl er ondertussen af en toe nieuwe klanten binnen druppelen. In haar ogen en aan haar stem merk ik dat dit ‘pijn’ heeft gedaan.

‘Die dader was ook een gokker’ zegt ze.

Ik knik en raak even haar arm aan. ‘En nu werk je weer hier’ zeg ik. ‘Ja’, zegt ze, ‘het leven gaat door en ook ik moet mijn huur betalen.’
Op de eerste verdieping bij de bar werkend merk ik dat ik het daar het moeilijkst heb. Aan de medewerker daar en aan Peter Vreuls vertel ik welk geluid mij het meest ‘raakt.’ Het is het riedeltje bij een prijs op het boven-spel van de randomrunner, of de laatste variant daarvan. Ik hoef niet eens te kijken welke prijs er dan valt, want ik hoor het aan het geluid. Wat dat betreft zou ik zo in ‘wedden dat’ kunnen, dat TV-programma van vroeger. Bijzonder dat dat trouwens ‘wedden dat’ heette. Wedden en gokken, het ligt dicht bij elkaar.
’s Avonds eet ik samen met Vreuls aan het centrale plein van Kerkrade. Het is gezellig en we kletsen over van alles en nog wat. Thuisgekomen in m’n appartement komt de pijn.

Ik neem een douche en met het douchewater stromen de tranen me over de wangen.

Het lijkt of de hele beker leeg moet. Later aan tafel met m’n laptop open weer. Ik app kort met m’n vrouw, m’n zus en met Peter. Blijkbaar zit er nog een bak aan gokverdriet in me, die nog eens moet worden geleegd. Deze dagen ben ik er alvast mee begonnen. Als ik na nog een huilbui wat rustiger ben, ga ik slapen. Op naar dag twee.
Op dag twee vraagt Peter me of ik ook een kast zou willen bijvullen. Ik denk er over na. Dat zou betekenen dat ik weer fysiek munten in een gokkast zou moeten gooien. Het is natuurlijk geen gokken, maar is het risicovol? Impulsief zeg ik ‘ja’ en binnen een half uur vul ik een gokkast bij met honderdtwintig euro aan muntgeld. Peter filmt me ondertussen en grapt dat ik ‘dat vroeger veel sneller kon.’ Al bijvullend antwoordt ik hem dat hij ‘z’n kop moet houden.’
Mijn collega die ook op deze verdieping werkt zegt dat hij dit eigenlijk onverantwoord vindt. Tegelijkertijd vraagt hij me of ik zojuist écht ‘je moet je kop houden!’ tegen Peter Vreuls heb gezegd. Ik beaam dat, en begrijp nu dat dit voor hem binnen de hiërarchie van het bedrijf nogal ‘op het randje’ was. Maar als ervaringsdeskundige en bovenal als Feite kan ik zoiets probleemloos maken bij Peter. Al grappend begrepen wij namelijk allebei dat dit ‘bijvullen’ voor mij ook een symbolische definitieve afsluiting was.

Meer dan ooit weet ik, dat ik nooit meer op een gokautomaat zal spelen.

Tegen vieren ‘stop’ ik met werken. Met Peter spreek ik af dat ik mogelijke verbeterpunten voor hun preventiebeleid zal mailen. Het zit er op en aan deze hectische maandag en dinsdag komt een eind. De vrijdag erop wreekt zich deze blootstelling aan gokkasten. Ik wordt –op de school waar ik dan werk- letterlijk misselijk en sta te kotsen boven het toilet. Dat is wat ruim twintig jaar gokken met een mens kan doen.
Ik heb mijn vijand én mijn vriend na acht jaar van héél dicht in de ogen kunnen kijken.