Ergens halverwege 2015 hadden wij als AGOG bestuur een afspraak bij de VAN, de branchevereniging voor gokautomatenhallen. Altijd zijn zulke ontmoetingen tegenstrijdig en ingewikkeld, want wij zijn oud-verslaafden en zij zijn gokaanbieders. Voor beide partijen zeg maar een confronterende ontmoeting.

Ons doel van de ontmoeting was tweeledig. Enerzijds het kweken van meer begrip, anderzijds heel simpel: geld. De AGOG ontvangt géén subsidie en is afhankelijk van giften van particulieren en giften vanuit de gokbranche zelf. Een moeizaam gesprek volgde, waarbij ik uiteindelijk de opmerking –toen het over de financiële positie van de Anonieme Gokkers ging- ‘maar is het ook niet een beetje zo dat de vervuiler betaalt?’ liet vallen. Dit deed ik vanuit mijn eenvoudige redenering dat

als je gokautomaten exploiteert, je misschien ook zou kunnen bijdragen in de hulp van de verslaving die daarbij logischerwijs ontstaat.

Het antwoord wat kwam van één van de heren VAN deed me echt pijn. ‘BMW en Mercedes zijn toch ook niet verantwoordelijk voor de verkeersslachtoffers die hun auto’s maken?’ Ik geef toe, ik had geen snedig antwoord. De vergelijking is me nog steeds bij gebleven, en nog steeds maakt deze me af en toe razend. Het getuigt van geen enkel respect in mijn ogen.

Natuurlijk is elke gokker zelf verantwoordelijk. Maar niet willen erkennen dat je een product aanbiedt dat voor sommigen uiterst risicovol is, dat is onverantwoordelijk. En daarin zit volgens mij het verschil. Voor wat betreft de financiële bijdrage van de VAN waar we op uit waren; daar kwam dan ook niets van terecht.